| Buitenunit | Kiesbare regelmethoden | Standaard |
|---|---|---|
| V1 | 1: buitentemperatuur; 2: ontdooien + naloop | 1 |
| V1.5 | 1, 2 en 3: automatische combinatie | 3 |
| V2, oud en nieuw model | 1, 2 en 3 | 3 |
| Nog niet herkend | Geen wijziging mogelijk | Geen profiel toepassen |
Verbruik per buitenunit
Bij V1 en V1.5 rekent OpenQuatt met 150,06 W voor het enkele warmtelint. V2 heeft een bottom plate heater en een drain pan heater van elk 140 W. Ze staan parallel achter hetzelfde relais en verbruiken samen 280 W wanneer dat relais actief is. Dit geldt voor zowel het oude als het nieuwe V2-model.
De aanduiding Bottom plate heater omvat bij V2 dus beide elementen. OpenQuatt telt de bijdrage mee op basis van het actieve heatersignaal (R2108 bit 2); alleen een defrostmelding voegt deze bijdrage niet toe. De carterverwarming en circulatiepomp tellen afzonderlijk mee in het elektrische vermogen.
Opgeslagen referentieconfiguratie per generatie
De actuele dumps maken het verschil tussen de opgeslagen configuratie en een tijdelijke runtimewaarde expliciet:
| Instelling | V1 | V1.5 | V2 |
|---|---|---|---|
| Bodemplaatmodus | 1 — buitentemperatuur | 3 — automatische combinatie | 3 — automatische combinatie |
| Inschakel-/bovengrens | 4 °C | 4 °C | 4 °C |
| Hysterese / stopdelta | 3 K | 3 K | 3 K |
Voor V1 is de opgeslagen modus dus 1. Een eerder waargenomen V1-waarde 2 kwam uit een tijdelijke runtime-override tijdens testen en was niet de opgeslagen V1-configuratie. Die eerdere vergelijking mag daarom niet worden gelezen als “V1 werkt standaard alleen tijdens ontdooien”.
OpenQuatt sluit hier al op aan: de generatie-default is voor V1 methode 1 en voor V1.5/V2 methode 3, met 4 °C en 3 K als referentiewaarden.
Regelmethode 3 is niet beschikbaar op V1. OpenQuatt blokkeert deze keuze niet alleen in de web-app, maar ook bij opslaan, backupherstel, automatisch opnieuw toepassen en vlak vóór een Modbus-write.
Een bestaande waarde 3 op een V1 kan nog wel worden uitgelezen voor diagnose. OpenQuatt behandelt die waarde daar niet als een geldige instelling en schrijft hem niet opnieuw.
Regelmethode 0 betekent uit. Die waarde blijft herkenbaar bij uitlezen en in bestaande geldige backups, maar wordt bewust niet als nieuwe dropdownkeuze aangeboden.
Wat doen de regelmethoden?
Methode 1 — Buitentemperatuur
De bodemplaatverwarming schakelt in als de buitentemperatuur onder de ingestelde inschakelgrens komt. Uitschakelen gebeurt pas wanneer de buitentemperatuur weer voldoende is gestegen volgens de ingestelde hysterese.
Voorbeeld: bij een inschakelgrens van 4 °C en een hysterese van 3 K kan de verwarming onder 4 °C inschakelen en weer uitschakelen nadat de buitentemperatuur tot ongeveer 7 °C is gestegen.
De temperatuurregeling wordt niet direct bij compressorstart actief; er geldt eerst een interne looptijdvoorwaarde. De temperatuurgrens alleen zegt dus niet dat de bodemplaat op dat moment ook daadwerkelijk aan staat.
Methode 2 — Ontdooien + naloop
De bodemplaatverwarming ondersteunt de buitenunit tijdens een defrost en blijft daarna nog gedurende een interne nalooptijd actief. Een overgang naar stand-by kan die naloop beëindigen.
Bij deze methode zijn geen temperatuurgrens of hysterese instelbaar.
Methode 3 — Automatische vorst- en ontdooiregeling
Deze methode combineert temperatuurafhankelijke vorstbeveiliging met ondersteuning tijdens ontdooien.
Bij normaal verwarmen wordt de bodemplaat rond het vriespunt gebruikt. Tijdens een defrost kan zij ook boven het vriespunt actief zijn, tot de ingestelde bovengrens bij ontdooien. Bij zeer lage buitentemperaturen gelden aanvullende interne voorwaarden.
Methode 3 gebruikt niet dezelfde instelbare hysterese als methode 1 en is alleen beschikbaar op V1.5 en V2.
Een oude V1-instelling met methode 3
Een eerder opgeslagen V1-profiel met methode 3 wordt niet automatisch opnieuw toegepast en ook niet stilzwijgend naar methode 1 of 2 omgezet.
Bij backupherstel wordt zo'n ongeldig V1-profiel overgeslagen. Geldige profielen voor andere buitenunits kunnen wel gewoon worden hersteld.
Als een V1 momenteel waarde 3 meldt:
lees de actuele waarden uit;
kies bewust methode 1 of 2;
controleer de bijbehorende temperatuurinstellingen;
kies Opslaan en toepassen.
Alleen het openen van het scherm, een taalwissel of het wijzigen van een lokale keuze schrijft niets naar de buitenunit.
Opslaan en opnieuw toepassen
Opslaan en toepassen bewaart het gekozen profiel in OpenQuatt en schrijft de waarden naar het werkgeheugen van de buitenunit. Daarna worden de waarden teruggelezen om te controleren of ze zijn overgenomen.
De fysieke EEPROM van de buitenunit blijft daarbij ongewijzigd.
Met Na herstart opnieuw toepassen bewaart OpenQuatt het profiel en biedt het na een herstart opnieuw aan dezelfde herkende buitenunit aan. Zonder die optie valt de buitenunit na een herstart terug op zijn eigen opgeslagen waarden.